Geschiedenis Geschiedenis

Witte Kerk Heiloo heeft Middeleeuwse wortels
De geschiedenis van de Witte Kerk in Heiloo, althans een kerkje op dezelfde plaats, gaat terug tot het begin van de elfde eeuw, maar zij zou al zijn gesticht omstreeks het jaar 700, toen de eerste christenpredikers zich in deze streek vestigden. Dat waren de benedictijner monnik Willibrord en elf andere katholieken die vanuit Engeland naar hier kwamen om onder de (West-)Friezen het evangelie te verkondigen.
Uit opgravingen, waarbij de resten van een vroegmiddeleeuws houten kerkje werden gevonden, leiden deskundigen af dat er vóór 900 op de huidige plek al een godshuis moet hebben gestaan. Het staat niet vast dat Willibrord in Heiloo is geweest en het kerkje heeft gesticht, maar een aanwijzing zou kunnen zijn dat het vóór de kerk gelegen putje naar hem is vernoemd. Hij zou op zijn trektocht door de kuststrook van Kennemerland en West-Friesland hier op miraculeuze wijze een bron hebben doen ontspringen.
Tot ver in de negentiende eeuw bestond deze ‘Willibrordusput’ uit een eenvoudige bakstenen verschansing, opgetrokken in een zevenhoek juist boven de zandstenen platen van de putmantel. Het putje werd vernieuwd in 1881, naar een ontwerp van de beroemde architect P.J.H. Cuypers. In 1947 kreeg het zijn huidige vorm: de bakstenen verschansing en putkraag, een katrol, een houten deksel tegen vervuiling en een afdak.
In 739 overlijdt Willibrord in een door hem gesticht klooster te Echternach, Luxemburg, waarbij zijn bezittingen werden nagelaten aan de Kloosterorde. In 1063 komt de kerk van Heilegelo, dat toen zo heette (in de loop der eeuwen heeft het dorp zo’n 25 namen gehad), voor het eerst voor in de eigendomsoorkonden van het genoemde klooster. Na veel strijd tussen de graven van Friesland en de overheersers werd in 1156 een overeenkomst getekend, waarbij het klooster van Echternach zijn aanspraken op de kerk van Heiloo liet vervallen.                                                                         
 
Omstreden bezit
Het uit de elfde eeuw daterende tufstenen kerkje, met toren en gebouwd op een duinwal, was de ‘moederkerk’ voor de hele omgeving. Het was lange tijd door zijn opbrengsten ook een omstreden bezit: de gelovigen moesten jaarlijks ‘tienden’, een tiende deel van wat hun gewassen opbrachten, afstaan voor het onderhoud van hun kerk.
Het romaanse kerkgebouw was in het bezit van de Abdij van Egmond
(-Binnen). Het schip mat 21 bij 10 meter en ging over in een koor van ongeveer 9 bij 7 meter, afgesloten door een halfronde absis. In de vijftiende eeuw werd de kerk uitgebreid met een transept en een gotisch koor van 16 meter. Ook werd er een sacristie tegenaan gebouwd.
Die vijftiende eeuw was een bloeitijd voor de kerk van Heiloo. De Abdij kon de inkomsten goed gebruiken, hoewel de inning van de ‘tienden’ vaak problemen gaf. Het kerkje heeft de Beeldenstorm, in augustus 1566, waarvoor de opkomst van het protestantisme in tal van Europese landen de aanleiding was, goed doorstaan. Maar twee jaar later, in 1568, werd het bij een brand zwaar beschadigd. Reeds op 20 februari 1569 kon de gerestaureerde kerk door de bisschop van Haarlem opnieuw worden gewijd. De vreugde was van korte duur, want in augustus 1573, bij het beleg van Alkmaar, werd het door de benden van Sonoy, die onder de katholieken in de kop van Noord-Holland een waar schrikbewind uitvoerden, grotendeels verwoest. Alleen het voorste gedeelte en de toren bleven overeind.                  
                                                        
In protestantse handen
In de jaren daarna eisten de gereformeerden - in die tijd de groepsnaam van de calvinisten - de Witte Kerk op voor haar religie, want evenals de rooms-katholieken beschouwden zij zich als de ‘ware kerk’. De gereformeerde kerk in Heiloo had toen een centrale functie voor de hele dorpsgemeenschap. Vandaar dat de gereformeerden als bevoorrechte minderheid het kerkgebouw in gebruik konden nemen.
In 1586 werd samen met Egmond-Binnen de eerste predikant beroepen, ds. Sloot. Pas in 1619, onder ds. Pieter Jansz, werd Heiloo een afzonderlijke, dus zelfstandige kerkelijke gemeente. Wel bleef hij tot zijn emeritaat, in 1633, predikant van zowel Egmond als Heiloo.
e eveneens romaanse toren is later gebouwd dan de oorspronkelijke kerk en was ook lager: het deel waarop nu de wijzerplaten zitten is in de zeventiende eeuw op de middeleeuwse onderbouw gemetseld, waarschijnlijk in 1650, wat af te leiden valt uit een sluitsteen van een gewelf met dit jaartal.
Eerder, in 1630 was het kerkje deels opgebouwd, met drie nieuwe muren aan de oostkant, zodat weer kerkdiensten konden worden gehouden. Tegen de middelste muur stond de preekstoel, met daarvoor een hekwerk, de zogenaamde koorsluiting, die nu nog om de in 1966 verplaatste preekstoel staat. Een orgel ontbrak evenwel.
Na het vertrek van Pieter Jansz. konden de gelovigen in ds. J. Curtius de eerste eigen predikant verwelkomen. Ds. Curtius stond op een eenvoudige, lage preekstoel zonder klankbord en in zijn gewone plunje. De predikant, die een zwakke gezondheid had, stierf drie jaar later, in 1636 en werd in het kerkje begraven. Zijn opvolger, ds. Velsius, hield het dertig jaar vol.
Het oorspronkelijke laat-gotische koor bleef als ruïne nog tot 1764 bestaan. Toen ruimde men de zaak op. De contouren van dat deel van de middeleeuwse kruiskerk zijn door middel van bestrating in de tuin aan de oostzijde van het huidige kerkgebouw zichtbaar.
Men dient bij dit alles te bedenken dat Heiloo (met Oesdom) in die tijd slechts een paar honderd inwoners telde. In 1494 telden de dorpen samen 115 ‘haardsteden’, in 1795 woonden er 455 mensen, van wie de meesten rooms-katholiek waren. Slechts 37 gezinnen waren toen bij het Witte Kerkje aangesloten. Een eeuw later had Heiloo 1900 inwoners, van wie 40 procent protestant. In 1948 was van de 10.000 inwoners nog geen 25 procent protestant, in 1995 21.000, onder wie 1.500 hervormden. Nu telt Heiloo ongeveer 22.000 inwoners.
 
Tijdens de Bataafse Republiek (1795-1806) kwam de scheiding van kerk en staat tot stand en daarmee raakte de gereformeerde kerk haar gezag en invloed kwijt. De Nederlandse Hervormde Kerk ontstond, mede door toedoen van koning Willem I, en kreeg in april 1816 haar naam bij Algemeen Reglement. De Witte Kerk stond dus voortaan op naam van de hervormde gemeente Heiloo.                                            
 
Restauraties
De afgelopen twee eeuwen werd de kerk enkele malen grondig gerestaureerd. Tussen 1822 en 1829 werd de preekstoel in het koor gezet, werd het kerkje wit geschilderd om zo de gammele herstelwerkzaamheden onzichtbaar te maken. Ook werd de kerkhofmuur vervangen door een haag van linden. In de Tweede Wereldoorlog werden op drie na alle linden omgehakt en gebruikt als brandstof voor de verkleumde Heilooënaars. De totale kosten bedroegen 1.700 gulden. Hiervan brachten de gemeenteleden het ‘zeer hoge bedrag’ van 281 gulden op, de rest kwam voor rekening van rijk (1.200 gulden), kerkvoogdij en diaconie. Vanaf die tijd spreekt men van het Witte Kerkje, later van de Witte Kerk.
In 1863 werd de zuidmuur afgebroken en opnieuw gemetseld van rode waalsteen. De romaanse houten vensters in de noordmuur werden vervangen door grote neogotische ramen. Het Zaandammer dak en de buitendeuren werden vernieuwd en de stenen vloer opnieuw gelegd. Ook de toren, die bij blikseminslag was verwoest, werd opgebouwd. Na de tweede wereldoorlog werd weer een muurtje rondom de kerk en de begraafplaats gemetseld. Een in 1950 aangebrachte gedenksteen bij het Willibrordusputje herinnert daaraan.
Bij de volgende restauratie, tussen 1964 en 1966, kreeg de kerk haar huidige uitstraling. Architect H.F. Rapange uit Amsterdam tekende ervoor: de houten kap werd hersteld, nieuwe raamkozijnen geplaatst, muren opnieuw gestuukt, de zij-ingangen gingen dicht. In de noordmuur kwam een soort poortje, dat als nooduitgang kon dienen. Dat werd begin 2005 in het kader van de verscherpte veiligheidseisen vernieuwd.
Voortaan was de enige ingang die onder de ruim 37 meter hoge toren.Verder werd de trans (omloop) rond de torenspits weggehaald, de luidklok en het uurwerk verwisselden van plaats en daarmee ook de galmgaten en de wijzerplaten. Binnenin werden de galerij en het vernieuwde orgel naar de westgevel verplaatst, een geluidsinstallatie aangebracht en de grote oude zijbanken verwijderd, waardoor meer ruimte ontstond voor stoelen.
De kosten van deze restauratie bedroegen ongeveer 105.000 gulden voor de toren, die eigendom is van de burgerlijke gemeente, bijna 90.000 gulden voor het exterieur, waarvan het rijk de helft voor zijn rekening nam, en 95.000 gulden voor de interne restauratie, die geheel door de kerkvoogdij, dus door de gemeenteleden, moest worden opgebracht.                                            

Kring van Heiloo
Eén bijzondere periode uit de geschiedenis van de Witte Kerk mag niet onvermeld blijven.
In 1836 werd ds. J.P. Hasebroek (1812-1896) predikant in Heiloo en betrok hij, zoals hij het omschreef ‘een lief, net huisjen, achter het groen van drie lindeboomen wegschui-lende en door een grasperk, dat het speelveld der dorps-jeugd is, van den grooten weg naar Alkmaar afgescheiden'. Dat 'huisjen' is het enkele keren gerestaureerde en uitgebreide witte pand aan de overkant van de Kennemerstraatweg.
 
Toen dominee-dichter Hasebroek zich in Heiloo vestigde, was hij net in Leiden afgestudeerd als literator. Hij bewoonde de pastorie samen met zijn zuster Betsy, schrijfster van romans, die was meegekomen om het huishouden te doen. Zijn woning werd al spoedig een ontmoetingsplaats voor dichters als Nicolaas Beets (1814-1903, onder het pseudoniem Hildebrand bekend als auteur van de Camera Obscura), A.L.G. Toussaint (de latere Truitje Bosboom-Toussaint), Jacob van Lennep, W.J. Hofdijk en E.J. Potgieter. Tot ver in de twintigste eeuw woonde hier de hervormde predikant. Van 1982 tot 2008 was het pand ingericht als oudheidkamer.
 
De groep jonge schrijvers/dichters ging de geschiedenis in als ‘De kring van Heiloo’. Die ‘kring’ had geen direct literair doel. Het ging om onregelmatige, toevallige bijeenkomsten van jonge mensen, literair begaafd of die gegrepen waren door de toen moderne richting der romantiek.
 
Nicolaas Beets, in 1839 als theoloog summa cum laude gepromoveerd, nam het Hasebroek kwalijk dat hij maar in Heiloo bleef hangen en niet opschoof voor hem, al vond schoonmoeder Van Foreest, wonend op de Nijenburg in Heiloo, dit een veel te nederige plaats voor het Leidse genie. Beets vergat echter dat Hasebroek geen invloed kon uitoefenen op een beroeping elders. Uiteindelijk werd Beets in 1840 predikant in Heemstede, terwijl Hasebroek in 1843 naar Breda vertrok, waarmee het einde van de ‘Kring van Heiloo’ werd bezegeld.                                   
 
Orgels en luidklok
De geschiedenis van de orgels en de luidklok is moeilijk te achterhalen. Het eerste orgel zou een in 1783 door J.P. Künckel vervaardigd huisorgel zijn geweest, dat in 1850 door de hervormde gemeente werd aangekocht. In 1966 werd het grondig gerestaureerd door de bekende Zaandamse orgelbouwer Flentrop. Het front uit 1783 bleef in originele staat, maar het ‘speelwerk’ werd vernieuwd. De kas was oorspronkelijk bruin, maar toen koos men voor Perlé-kleuren. De klaviatuur zit aan de achterkant en de tractuur is mechanisch.
Aan de oostelijke kant van de kerk staat een miniatuur orgel, een zg. kabinetorgel, dat uit 1820 zou dateren en dat voor koorzang kan worden gebruikt. In 1987 kwam het door een schenking in het bezit van de hervormde gemeente.
De luidklok is vrijwel zeker in 1613 gegoten door de Duitser Johannes Breutelt. Hij heeft een doorsnee van 1,3 meter en weegt ruim 1.370 kilo. In de oorlogsjaren is de klok uit de toren gehaald en met tal van andere waardevolle klokken uit omliggende kerken per binnenvaartschip richting Duitsland vervoerd. Op het IJsselmeer zonk het schip echter, door toedoen van de kapitein, naar hij later verklaarde. Na de oorlog zijn de klokken opgevist en is ook de klok van de Witte Kerk gerestaureerd en teruggeplaatst.
In het najaar van 2001 werd de laatste wekelijkse eredienst van de hervormde gemeente gehouden. In dat jaar namen de hervormden samen met de gereformeerden de Ter Coulsterkerk aan de Holleweg in gebruik. Deze uit de jaren zestig daterende rooms-katholieke ‘Moeder Godskerk’ werd eerst ingrijpend gerestaureerd en uitgebreid.                                                 
Nu wordt de Witte Kerk nog gebruikt voor het voltrekken en kerkelijk bevestigen van huwelijken, voor bijzondere diensten in de week voor Pasen en voor cantatediensten, maar ook voor exposities en concerten. Die concerten worden al sinds de jaren zeventig gegeven en worden georganiseerd door de Stichting Cultuurbevordering Witte Kerk. Het hoofdorgel leent zich daar uitstekend voor. De concerten vormen inmiddels een belangrijk onderdeel van het culturele leven van Heiloo. 
Zo staat de Witte Kerk, met een eeuwenoude geschiedenis, in het hart van Heiloo als een groots monument in kerkelijk en cultureel opzicht.

Leen de Ruiter


 

terug