Orgel Orgel

Ter introductie
Aan het eind van de jaren negentig van de vorige eeuw beschikten de hervormde gemeente en de gereformeerde kerk over drie kerkgebouwen: de Witte Kerk (een eeuwenoud monument), de Kruiskerk en de gereformeerde kerk aan de Noordergeeststraat.
 
Het Samen-op-Wegproces tussen beide kerkgenootschappen was intussen zover gevorderd dat, toen de Moeder Godskerk door de rooms-katholieke parochie wegens overcompleetheid werd afgestoten, de twee kerkenraden besloten deze kerk te kopen voor het houden van de wekelijkse erediensten. De kerk (uit 1967) werd inwendig grondig verbouwd en geschikt gemaakt voor de protestantse eredienst. Twee van de drie kerkgebouwen werden verkocht. De Witte Kerk wordt alleen nog voor trouw-, rouw- en andere bijzondere diensten, en voor concerten en exposities gebruikt.
 
Eind 2001 kon de gerenoveerde kerk onder de naam Ter Coulsterkerk in gebruik worden genomen. Het relatief oude orgel was niet geschikt voor de protestantse eredienst en de orgels van de andere kerken waren evenmin van een dusdanige kwaliteit dat ze de gemeentezang op een muzikaal verantwoorde wijze zouden kunnen ondersteunen.
 
De orgelcommissie, bestaande uit organisten van beide kerken en enkele kerkleden, ging in den lande op zoek naar orgels uit kerken die gesloten werden, maar constateerde dat er nauwelijks of geen staande orgels waren die bij de architectuur van het gerenoveerde kerkgebouw pasten. Daarom werd besloten tot de aanschaf van een nieuw orgel en de drie oude orgels in te ruilen bij de orgelbouwer. De orgelcommissie kwam, in overleg met de adviseur, Jan Jongepier, al snel tot de conclusie dat het een orgel moest worden op basis van de klassieke principes met als essentieel uitgangspunt een klankkleur die aansluit bij de achttiende-eeuwse orgelbouw.
Een eerste schets voor de dispositie werd opgesteld door Gerard Leegwater, cantororganis tvan de protestantse gemeente van Heiloo. Om een goede keus te kunnen maken werden enkele recent gebouwde orgels beluisterd en ter verdere precisering ook het Müllerorgel van de Grote Kerk in Leeuwarden en het Van Damorgel in de hervormde kerk van Ternaard. Vanwege de klankkleur ging de voorkeur uit naar het orgel van de Grote Kerk in Leeuwarden.
 
Ten behoeve van de gemeentezang zou een orgel met 20 stemmen voldoende zijn. Maar voor aanvullend cultureel gebruik was een dispositie van 25 stemmen gewenst. Aangezien voor deze uitbreiding sponsors werden gevonden, kon uiteindelijk worden overgaan tot de bouw van een orgel met 25 stemmen.
 
De bouw van het orgel werd opgedragen aan Kerkorgelbouw Pels & Van Leeuwen in ’s-Hertogenbosch. De begeleiding van de bouw en de intonatie was in handen van Aart van Beek, gecommitteerde van de landelijke Orgelcommissie van de (toenmalige) Nederlandse Hervormde Kerk.
 
Voor de financiering van het orgel en om deze buiten de kerkelijke begroting te houden, werd de Stichting Orgelfonds Ter Coulsterkerk opgericht, die ook tot taak had de geldmiddelen bijeen te brengen. Kerkleden droegen daaraan bij door middel van giften en verder waren donateurs en sponsors van binnen en van buiten de kerkelijke gemeente bereid een bijdrage te leveren.
 
De begeleiding tijdens de bouw berustte bij Jan Visser en verantwoordelijk voor de financiering was Ot de Groot, beiden lid van het college van beheer en van het bestuur van de stichting. Het orgel werd op 28 augustus 2004 in gebruik gegeven aan de protestantse gemeente van Heiloo.                                                                                        terug      
 
De orgelbouwer en de keuze van het orgel
 
Het bedrijf
In 1903 startte Bernard Pels - tot dan toe meesterknecht bij de Alkmaarse orgelmaker Ypma - een eigen orgelmakerij. Zijn zoon Anton, die hem in 1933 opvolgde, bouwde het bedrijf uit tot een van de grootste in Europa. Zoon Ben, de derde generatie Pels, huwde de dochter van orgelmaker D'Hondt uit Herselt in België en zette diens bedrijf voort onder de naam Pels D'Hondt, thans onder leiding van de vierde generatie Gérard Pels. Na het overlijden van Anton Pels werd Rochus van Rumpt, die de belangen van het bedrijf had behartigd in Zuid-Nederland en België, mede-eigenaar. Onder zijn leiding kwam in 1964 een fusie tot stand met de eveneens in 1903 door Gerrit van Leeuwen te Leiderdorp opgerichte orgelmakerij Van Leeuwen.
De gezamenlijke werkzaamheden werden vanuit Alkmaar voortgezet onder de naam Pels & Van Leeuwen.
In 1970 werd het bedrijf, waar inmiddels de huidige directeur Peter van Rumpt, zijn intrede had gedaan, verplaatst naar Waardenburg, waarbij het accent steeds meer kwam te liggen op de restauratie van historische instrumenten. De kennis en ervaring die hierbij werden opgedaan, konden worden benut bij de bouw van nieuwe ambachtelijke orgels.
Dankzij een gestructureerde opbouw van activiteiten in het buitenland groeide het aantal nieuwbouw-opdrachten en werd een ruimere behuizing betrokken: een voormalig klooster aan de noordzoom van 's-Hertogenbosch. In 2004 verhuisde het bedrijf binnen 's-Hertogenbosch naar een nieuw bedrijfspand met goed ingerichte ateliers.
Het werkterrein van de orgelmakerij concentreert zich in Nederland en België vooral op de restauratie en het onderhoud van vele instrumenten. Vanuit de rijke historie in eigen huis zijnde ervaring en de vakkennis behouden van alle orgelsystemen, traditioneel- en modernmechanisch, pneumatisch, elektro-pneumatisch, direct elektrisch alsmede van elektronisch bestuurde systemen.
De nieuwbouw-projecten worden in toenemende mate in het buitenland gerealiseerd met een concentratie in de Verenigde Staten (Midwest en Arizona), het Verre Oosten (Zuid-Korea,Taiwan en Japan) en Scandinavië (Noorwegen en Zweden).
De opdracht voor de bouw van een nieuw orgel in de Ter Coulsterkerk in Heiloo was een bijzondere uitdaging voor Pels & Van Leeuwen om verschillende redenen. Allereerst komt het in eigen land steeds minder voor dat een orgel van deze grootte wordt aanbesteed. Daarnaast vroeg het fraaie kerkinterieur om een ontwerp in een eigentijdse vormgeving. En zeker niet in de laatste plaats betekende deze opdracht een grote uitdaging omdat de opdrachtgever in het contract het gewenste klankbeeld definieerde vanuit een barokke oriëntatie, terwijl de orgelmakerij zich klanktechnisch gedurende de afgelopen tien jaar sterk ontwikkelde vanuit het derde tot vierde kwart van de negentiende eeuw.                                                
 
Het orgel
Voor de klankoriëntatie is het Müllerorgel te Leeuwarden intensief beluisterd, echter niet met de bedoeling een kopie in welke vorm ook te realiseren. Aanleiding hiervoor waren de discussies binnen de Heiloose orgelcommissie. Na een ruime luisterreis langs verschillende instrumenten werd unaniem vastgesteld dat het Leeuwardense instrument overtuigend voldeed aan de definitie van het te bouwen instrument. De souplesse in de toonaanzet en het poëtische klankbeeld, dat vooral typerend is voor de registers van het Bovenwerk, zijn leidraad geweest en inspireerden bij de intonatie.
In de orgelkeuze heeft Jan Jongepier een duidelijke aanzet gegeven tot het aannemen van de gekozen uitgangspunten. Vervolgens heeft Aart van Beek op deskundige wijze het project begeleid tijdens de uitwerking van de orgeltechnische ontwerpen en de daadwerkelijke bouw en intonatie van het instrument.
 
Vormgeving en structuur van het orgel
Het orgel is van bovengemiddelde afmeting en heeft 25 registers met in totaal 1646 pijpen, verdeeld over twee manualen en pedaal. Het hoofdwerk of onderklavier heeft 12 registers, het bovenwerk of bovenklavier heeft er 8 en op het pedaal of voetklavier zijn 5 registers geplaatst. De tractuur is mechanisch. De beide manualen, een hoofd- en bovenwerk, zijn geplaatst in een traditioneel gestructureerde hoofdkas. Omdat de hoogte van het kerkgebouw beperkt was, iservoor gekozen om het pedaal in een aparte kas, links van de hoofdkas, onder te brengen. Zou het pedaal ter weerszijde van de hoofdkas zijn gebouwd dan was een sterk breedtebeeld ontstaan, wat in tegenspraak zou zijn met de gekozen klassieke uitgangspunten. Bovendien was er met het oog op de korte afstand tot de zitplaatsen een risico voor een "pingpong"-effect bij de krachtige registers in het pedaal.
De vormgeving is ontstaan vanuit een traditionele en historische esthetiek. Hierbij is de klassieke werken indeling Hoofdwerk/Bovenwerk als uitgangspunt genomen. De detaillering en het lijnenspel sluiten aan bij het kerkinterieur, waarbij nauw is samengewerkt met interieurarchitect Arnoud Ritsma uit Zaandijk.
De frontindeling is geïnspireerd op die van het Müllerorgel in de Grote Kerk van Beverwijk. De windvoorziening staat op het balkon, waar de speeltafel van het vorige orgel stond. De orgelkassen zijn van eikenhout, dat in geringe mate is bijgekleurd. De blinderingen in het front zijn van gebrand koper.
 
De windvoorziening van het orgel
De wind wordt voortgebracht door een elektrische ventilator die in een dempkist is geplaatst. Vandaaruit stroomt de wind via een kanaal naar een kleine voorbalg.
Vervolgens zijn er twee kanalen, een naar de grotere spaanbalg voor hoofd- en bovenwerk en een naar de kleinere spaanbalg voor het pedaal.
Alle balgen zijn gereguleerd met een drosselklep, dat is een rolgordijn dat met het bovenblad van de balg verbonden is, waarmee de windtoevoer en de windbehoefte in evenwicht worden gehouden.
Vanaf de spaanbalgen lopen de kanalen gedeeltelijk door de ruimte achter de binnenmuur. Het kanaal voor de manualen heeft vertakkingen voor het hoofd- en bovenwerk.
Dat van het pedaal heeft vertakkingen voor de onder- en bovenlade. Vervolgens stroomt de wind in de ventielkasten aan de onderzijde van de windladen                                                                                       terug
 
Het regeerwerk van het orgel
De verdeling van de wind naar het pijpwerkvindt plaats met de speel- en de registertractuur. De speeltractuur loopt vanaf het klaviernaar de ventielkast van een windlade. Dit mechaniek overbrugt de ordening vanhet klavier naar die van de ventielen en de cancellen (windgangen) in de windladen.
De door het aanslaan van een toets veroorzaakte trekbeweging moet enkele malen 90° worden omgekeerd met winkelbalken en zijwaarts verplaatst met walsramen.
Het registermechaniek verbindt de registerknoppen en –trekkers met de slepen die op de laden lopen. De schuifbeweging van de trekkers moet worden overgebracht op die van de slepen.
Dit mechaniek is weliswaar eenvoudiger dan het speelmechaniek maar werkt volgens hetzelfde principe. De manuaal- en pedaalkoppels bestaan elk uit een set hefbomen die de mechanieken van de diverse werken verbinden. Met de registerknop of –trede wordt de positie van de hefbomen gewijzigd en de koppel al dan niet geactiveerd.
 
De windladen van het orgel
Een windlade is het onderdeel waar het merendeel van het pijpwerk van een klavier op staat. Alleen frontpijpen en grotere pijpen staan niet op de lade maar worden met een loden conduct (toevoerbuis) vanuit de lade gevoed. De kern van een windlade wordt gevormd door een raamwerk dat is verdeeld in cancellen, voor elke toon een. Aan de onderzijde bevindt zich de ventielkast, aan de bovenzijde zijn de boringen voor het pijpwerk aangebracht. Daarboven liggen de slepen, tussen de geleidende dammen, en weer daarboven de pijpenstokken. De slepen zijn verschuifbare latten met boringen die overeenkomen met die van de bovenzijde van de lade en de pijpenstokken. Met het verschuiven van de sleep wordt een register al dan niet geactiveerd. De pijpenstokken dragen het pijpwerk dat overigens door roosters in positie wordt gehouden. Het pijpwerk van het orgel
Er zijn twee soorten pijpwerk in het orgel: labialen en tongwerken. De labialen (20 registers) hebben pijpwerk waarvan de constructie en toonvorming in principe overeenkomen met die van de blokfluit. Een windlint komt tegen een scherpe rand. De luchtkolom in het corpus van de pijp komt in trilling en er ontstaat een toon. Binnen deze groep zijn er vele ondersoorten. Het pijpwerk is cilindrisch open, conisch open, half of geheel gedekt. De lengte van het labiaalpijpwerk bepaalt de toonhoogte. Het pijpwerk is overwegend van orgelmetaal, een legering van lood en tin, gemaakt. Er zijn 74 grotere gedekte pijpen van eiken.
De tongwerken (5 registers) hebben bij dit instrument mahonie stevelhuisjes, waarin de koppen met de kelen en tongen zijn bevestigd. Op de koppen bevinden zich de klankbekers die hier afhankelijk van het soort register een trechtervormige of een cilindrische beker hebben. De bekers van vier registers zijn van metaal, bij een enkel register is hout toegepast.
Dit type register is verwant aan de blaasinstrumenten met een riet, zoals de hobo en de klarinet. Een windstroom wordt langs een messing tong geleid, deze komt in trilling en geeft een toon. De toonhoogte wordt hoofdzakelijk bepaald door de lengte van de trillende tong. Het timbre wordt mede gevormd door de vorm van de schalbeker die op de kop staat.
De orgelregisters klinken niet alle op de “normale” hoogte zoals van de piano. Het merendeel van de orgelregisters geeft zogenoemde boventonen. De registers met de aanduiding 8 voet klinken op de gebruikelijke toonhoogte, zoals bij de piano.
De stemmen met de aanduiding 16 voet klinken lager en geven diepte aan de klank. De hogere registers hebben vooral de functie de lagere aan te vullen en bij te kleuren, maar vele kunnen ook zelfstandig gebruikt worden. Er zijn tal van registraties mogelijk.
 
Dispositie
Hoofdwerk
1. Prestant 8' discant dubbel
2. Bourdon 16'
3. Viola di Gamba 8'
4. Roerfluit 8'
5. Octaaf 4'
6. Quint 2 2/3'
7. Openfluit 4'
8. Octaaf 2'
9. Cornet IV discant
10. Mixtuur IV-VI
11. Fagot 16'
12. Trompet 8'
 
Bovenwerk
13. Holpijp 8'
14. Quintadenaa 8'
15. Prestant 4'
16. Gemshoorn 4'
17. Nasard 2 2/3'
18. Woudfluit 2'
19. Sesquialter II
20. Dulciaan 8'
 
Pedaal
21. Subbas 16'
22. Prestant 8'
23. Octaaf 4'
24. Bazuin 16' volle lengte
25. Trompet 8'
 
tremulant voor hoofd- en bovenwerk
manuaalkoppel
pedaalkoppel hoofdwerk
pedaalkoppel bovenwerk
manuaalomvang C t/m g3
pedaalomvang C t/m f1
toonhoogte 441 Hz bij 21 graden Celsius
evenredig zwevende temperatuur
winddruk 72 mm waterkolom 

terug